Verschil algemene heffingskorting en arbeidskorting

Je moet inkomstenbelasting betalen. Niet leuk, maar gelukkig kun je hier korting op krijgen. De algemene heffingskorting is voor iedereen van toepassing. De arbeidskorting is een extra korting die kan oplopen tot boven de 2.000 euro. Wat is het verschil tussen algemene heffingskorting en arbeidskorting? Dat ga je in dit artikel ontdekken. 

Kortingen op het loon 

Iedereen met inkomen betaalt hier loonbelasting over. Met jouw ontvangen loonbelasting betaalt de overheid algemene diensten en goederen. Denk maar eens aan basisonderwijs, sociale bijstand, toeslagen, kinderbijslag, AOW, politie, zorg, milieuzaken culturele activiteiten etc.

Loonbelasting is, naast de omzetbelasting, een grote inkomstenpost voor de overheid. Het is belangrijk dat dit blijft bestaan: op deze manier kan iedereen blijven genieten van alle diensten. 
 
Iedereen die loonbelasting betaalt heeft recht op de algemene heffingskorting. Deze korting krijg je op de inkomstenbelasting. De algemene heffingskorting maakt deel uit van een pakket van verschillende kortingen. Naast de algemene heffingskorting zijn er nog meer kortingen waar je van kunt profiteren. Dit is afhankelijk van de hoogte van het inkomen en de persoonlijke situatie. 

Voor wie is de algemene heffingskorting? 

De algemene heffingskorting is voor iedereen die loonbelasting/ inkomstenbelasting betaalt 

Iedereen die inkomsten heeft, betaalt hierover belasting. Het maakt niet uit of de inkomsten bestaan uit loon, inkomsten uit overige werkzaamheden of een uitkering. Je betaalt altijd inkomstenbelasting en/of loonbelasting. Om te voorkomen dat sommigen naar verhouding teveel belasting betalen, is er de algemene heffingskorting. Deze kan per jaar veranderen. In 2019 ziet de algemene heffingskorting er als volgt uit: 

  • inkomen tot € 20.384: heffingskorting bedraagt € 2.477 
  • inkomen tussen € 20.384 en € 69.507: heffingskorting bedraagt € 2.477 – 5,147% x (belastbaar inkomen uit werk en woning – € 20.384) 
  • inkomen boven € 68.507: geen heffingskorting 

Opbouw algemene heffingskorting

Hoe hoger het inkomen, hoe minder algemene heffingskorting. Helaas maar waar. Ook werkt de Belastingdienst met belastingschijven. Bij een bepaalde grens valt je inkomen één schijf hoger, waardoor je over dit bedrag meer belasting betaalt. 

Dus: hoe meer je verdient, hoe hoger het percentage aan belasting dat je betaalt. Dit lijkt oneerlijk, maar de lage inkomens houden naar verhouding maandelijks minder over. Ze moeten immers wel huur, hypotheek, gas, water, stroom, voedsel, verzekeringen etc. betalen. 

Arbeidskorting is alleen voor werkenden 

Nu komt het duidelijke verschil tussen algemene heffingskorting en arbeidskorting. De arbeidskorting is alleen voor mensen die werken. Dit kan in loondienst zijn, als zelfstandige of inkomen uit overige werkzaamheden. Als de inkomsten maar voortkomen uit verrichte arbeid. Deze heffingskorting is ervoor bedoeld om werken te stimuleren. Mensen met een uitkering krijgen deze korting niet. Ook de hoogte van deze korting kan per jaar sterk wisselen. Voor 2019 ziet deze er als volgt uit: 

  • inkomen tot € € 9.694: korting van 1,754% x arbeidsinkomen 
  • inkomen tussen € 9.694 en € 20.940: korting van € 170 + 28,712% x (arbeidsinkomen – € 9.694) 
  • inkomen tussen € 19.463 en € 49.770: korting van € 2.220 
  • inkomen tussen € 49.770 en € 100.670: korting van € 2.220 – 4% x (arbeidsinkomen – € 49.770) 
  • inkomen hoger dan € 100.670: korting van € 184 

De arbeidskorting is, net als de algemene heffingskorting, inkomensafhankelijk. 

Het precieze verschil tussen algemene heffingskorting en arbeidskorting 

Het verschil zit hem in het feit of het inkomen afkomstig is vanuit arbeid of vanuit bijvoorbeeld een uitkering. De overheid is van mening dat werken loont. Want met werken worden er daadwerkelijk inkomsten verdiend. 

Iemand met een uitkering ontvangt geld van de overheid (bijvoorbeeld UWV, SVB of de gemeente). Het recht op een uitkering valt onder de sociale zekerheid. Hiermee is iedereen in Nederland verzekerd van het minimum inkomsten. Het is logisch dat dit plan geld kost voor de overheid. Daarom wil de overheid dat er zo min mogelijk mensen een uitkering ontvangen. Dit doet de overheid door werken te belonen. Dit is hieronder ook goed te zien: 

  • Uitkering van € 12.000 per jaar. Loonbelasting bedraagt € 4.380. Algemene heffingskorting bedraagt € 2.447. Netto over te houden: € 10.067. 
  • Inkomen uit arbeid van € 12.000 per jaar. Loonbelasting bedraagt € 4.380. Algemene heffingskorting bedraagt € 2.447. Arbeidskorting bedraagt €832. Netto over te houden: € 10.929. 

 En de winnaar is…

De laatste persoon houdt maandelijks ruim €71 euro meer over. Hiermee wordt door de overheid dus duidelijk de nadruk op werken gelegd. Bovendien heeft werken ook nog andere voordelen. Werkende mensen hebben minder vaak te maken met psychische klachten. Dit komt omdat deze groep meer sociale contacten heeft en meer doelen heeft. 

Jaarlijks geven we miljoenen euro’s uit aan de psychische zorg. De grootste kosten komen voor rekening van werkelozen. Maar: de werkdruk is sinds de economische crisis van 2008 ook hoger komen te liggen. Hierdoor zijn er meer psychische klachten bijgekomen. Jaarlijks verdwijnt er in totaal 20 miljard euro als gevolg hiervan. Niet alleen voor de zorg, maar ook door productieverlies en verzuim van werknemers. 
 
Het is belangrijk dat mensen blijven werken. Dit levert de staat meer geld op dan dat er verdwijnt. 

Dit artikel werd je aangeboden door Geldkip.nl
Foutje in een artikel opgemerkt? Laat het ons weten, vul het formulier in. Vermeld om welke PAGINA het gaat, anders weten we niet waar we moeten zoeken! Je bericht wordt niet op de website gepubliceerd!